2016 doorbraakjaar voor wind op zee

Minister Henk Kamp van Economische Zaken evalueerde op 12 december het Nederlandse beleid voor wind op zee. ‘Zonder arrogant te zijn: we hadden het perfect voor elkaar.’ Enkele minuten eerder had een consortium onder leiding van Shell de aanbesteding gewonnen voor de bouw van het tweede windpark voor de kust van het Zeeuwse dorp Borssele. De kostprijs: 5,45 cent per kilowattuur, exclusief aansluitingskosten voor Tennet van 1,4 cent per kilowattuur. Dat is uitzonderlijk laag. ‘Het ziet er naar uit dat energie uit fossiel wordt beconcurreerd door duurzaam’, zei Kamp. ‘Daar ben ik blij om.’

Over enkele jaren kan 2016 best eens gezien worden als scharnierjaar voor wind op zee. Nog nooit was het enthousiasme zó groot, nog nooit werden er voor de Nederlandse kust zulke grote windprojecten aanbesteed, en nog nooit was wind op zee zó goedkoop. Door de aanhoudende malaise in de olie- en gasindustrie willen alle fossiele bedrijven (olie, kolen,gas), en zeker de toeleveranciers, de omslag maken naar wind. Daarnaast is er een groot aanbod: van schepen, van mensen. Wind op zee wordt steeds meer een bulkgoed en dat drukt de prijzen.
Verder is de staalprijs laag, en dat geldt ook voor de rente. Deze facetten bij elkaar opgeteld resulteren in een gunstig klimaat voor offshore turbines: schepen zijn goedkoop, metaal is goedkoop, financiering is goedkoop. Vier jaar geleden lag de kostprijs voor wind op zee nog op 17 cent per kilowatt. Daar is ruim tweederde vanaf. Als de rente aantrekt, als de olieprijs oploopt en de huurtarieven van schepen weer stijgen, als staal duurder wordt,dan zullen ook de kosten voor windparken kunnen gaan stijgen.

In België wordt een windpark aangelegd voor 12,4 cent per kilowattuur. Dat is dubbel zo duur als Borssele. Dat komt doordat procedures in België lopen lang, er was bezwaar van omwonenden van een hoogspanningsverbinding die de aanleg een tijd lang frustreerden. Dat is er niet in Nederland. Tennet gaat de windparken aansluiten, de overheid regelt een reeks vergunningen, dus het ‘fundament’ wordt gelegd voordat partijen mogen bieden op de aanbesteding. Zoals Kamp in Schiedam zei: ‘We hebben veel als overheid gedaan: planologisch, standaardisering, iedereen wist waar die aan toe was.’ Ook dat drukt de kosten – zeker omdat de kavels per veiling werden verkocht. Dat ging anoniem. Bieders wisten van elkaar niet of ze mee deden en tegen welke prijs ze hadden ingeschreven. Kamp kreeg de competitie die hij wenste. Het enige waar de minister op stuurde, was de prijs. Plus een bankgarantie.

Zo werd wind op zee veel goedkoper dan aanvankelijk was begroot. Bij de lancering van het Energieakkoord drie jaar geleden, raamden Kamp cum suis nog dat de maximale subsidie voor offshore wind zou uitkomen op € 18 mrd. Inmiddels wordt verwacht de aanleg van vijf windparken van elk 700 megawatt voor € 6 mrd gesubsidieerd zal worden. Daarvan gaat € 4 mrd naar de aansluiting op het net, en € 2 mrd naar het compenseren van de prijs. Eigenaren van het windpark krijgen het verschil tussen de grijze marktprijs en de prijs van energie die turbines in zee opwekken, vergoed door de Staat. Als de grijze prijs stijgt, zal de subsidie vanuit de overheid dalen.

In juli won Dong de tender voor het eerste windpark bij Borssele. Het Deense bedrijf, genoteerd aan de beurs van Kopenhagen maar voor het merendeel in handen van de Deense staat, gaat het windpark aanleggen voor 7,27 cent per kilowattuur, exclusief de 1,4 cent aansluitingskosten. Dat werd deze zomer gezien als grensverleggend: vooraf werd nog rekening gehouden met 9 tot 10 cent als winnende prijs. De 7,37 cent, zo klonk het na de tender, zou wel eens ‘de maatstaf der dingen’ kunnen worden voor de andere windparken die nog gebouwd moeten worden. ‘Dit is een goede benchmark voor de hele industrie’, zei Dorine Bosman, bij Shell betrokken bij de zogeheten Wind Business Development, begin juli. En toen won het consortium bestaande uit Shell, Eneco, Mitsubishi en Van Oord de tweede tender. Voor een bod dat nog weer ruim een kwart lager ligt dan de winnende prijs van deze zomer. De locaties van de windparken voor volgende aanbestedingsrondes zijn gunstiger – iets minder ver uit de kust, iets minder diepe zee – waardoor het aannemelijk is dat die tenders ook weer lager uitkomen.

Dat maakt 2016 wel een doorbraakjaar voor windparken op zee. In juni zei minster Kamp, tijdens de Winddagen: ‘De dynamiek die ik hier voel, die heb ik eerder gevoeld in de kabelsector. Hier gebeurt het.’ Dat was in juni. Op dat moment leek de 5,45 cent als kostprijs voor een windpark op zee nog science fiction. Maar een half jaar later, in de negentig meter hoge toren in Schiedam, enkele kilometers verderop, stond de minister dat bedrag toch glunderend te verkondigen.

‘Er zullen nog veel windturbines moeten komen op zee’, zei minister Kamp half december in Schiedam. Want Nederland is eigenlijk net begonnen met de offshore windparken. Weliswaar staat er al een aantal parken – Amalia, Gemini, Luchterduinen – maar dat zijn relatieve kleintjes vergeleken met wat er nog komen moet. Tot aan 2023 moeten er vijf windparken verrijzen voor de Nederlandse kust van elk 700 megawatt. Na 2023 moeten er nog zeven windparken van elk duizend megawatt komen in zee. Tennet pleitte deze zomer daarom voor de aanleg van een kunstmatig eiland in de Doggersbank. Die zou in het midden van een enorm windpark moeten komen te liggen. Tijden de Biënnale Rotterdam werd het afgelopen voorjaar een toekomstscenario gelanceerd voor 25.000 turbines in de Noordzee. Die voorzien in 90% van de stroomvoorziening van de omringende landen. Het gaat dan om windmolens met elk een vermogen van 10 megawatt, enorme energieopwekkende vliegers, en een tot windmolen-assemblageplek omgebouwde Tweede Maasvlakte.

 

Bron: FD